De gezongen reis

Daar is hij dan! Mijn sprookje voor (jong)volwassenen met als titel ‘De gezongen reis’. Het is een poëtische parabel van onze tijd. Mijn fantasie kreeg er vleugels van, dus maakte ik er 8 illustraties bij.

Onder de illustratie van het Schelpenkasteel, vind je een preview van een fragment uit het verhaal. Hier ontmoeten de twee hoofdpersonen Schelp, die hen meevoert op een reis door het Universum, waar ze iets gaan herstellen wat lang geleden is mis gegaan.

Het sprookje gaat in het najaar verschijnen. Heb je interesse, laat het me graag weten!

veel leesplezier,

Irene Verdoorn

Een fragment uit het boek ‘de gezongen reis’, geschreven door Irene Verdoorn©

De vloer van het Schelpenpaleis bestond uit een glanzend mozaïek van duizenden gekleurde stenen, waarin de symbolen van aarde, water, vuur en lucht waren afgebeeld. Ook zagen de geliefden een wand die bestrooid was met waterdruppels en zacht bewegende planten. Die gaven het paleis zo’n levendige adem, dat het al hun zintuigen verfriste. Te midden van dat al stond de allergrootste Schelp die ze ooit hadden gezien. Het regenbooglicht uit de koepel gleed over haar deksel van parelmoer, dat onwerkelijk straalde. Er klonk een uitnodigende roep: ‘Welkom Tama en Ahurewa, kom nader, kom naderbij…’

Schuchter liep het tweetal naar Schelp toe, wiens bovenste helft zich luid knarsend opende. Zo werden de spiralende lijnen in haar buik zichtbaar, die op een ontluikende varen leken.

‘Ben ik niet volmaakt?’ lispelde ze. ’Het guldengetal is in mij, evenals iedere pi en elk spiraal. Ik ben de structuur, de ordening van lijnen en ook hoe alles vermenigvuldigd wordt. Alle wetmatigheden zijn in mij verzegeld en daarom ben ik een onschatbaar juweel dat licht werpt op vele ondoorgrondelijkheden. Wisten jullie dat?’

Ahurewa en Tama schudden ontkennend hun hoofd.

‘De Grote Tekenaar van het Universum heeft alle magie van meetkundige schoonheid in mij verankerd. Niet dat ik er ook maar iets mee kan,’ voegde Schelp er wat sip aan toe, ‘want eigenlijk ben ik alleen maar vastgelegd. Ik lig hier op de bodem van de Oceaan te wachten tot ik eindelijk iemand van nut kan zijn.’

De woorden van Schelp duizelden Tama en Ahurewa een beetje.

‘Ach,’ zei Schelp, die hun verwarring zag, ‘ik lig hier maar belangrijk te doen. Kom nog wat dichterbij want eerlijk gezegd is het alleen maar de bedoeling dat jullie instappen en ik jullie meeneem op reis.’

‘Gaan we met u op reis?’ vroeg Tama en zijn dikke, donkere wenkbrauwen schoten omhoog.

‘Jazeker, met jullie toestemming natuurlijk,’ antwoordde Schelp, ‘want het zal een reis van epische omvang worden, dat kan ik jullie nu al beloven.’

Wat Schelp nu precies met al die ingewikkelde woorden bedoelde, begrepen Ahurewa en Tama niet helemaal, maar ze voelden wel dat ze haar konden vertrouwen.

Tama keek Ahurewa aan.

‘Het lijkt wel of alles al is voorbestemd,’ zei hij tegen haar, ‘gaan we mee?’

Ahurewa glimlachte naar hem en knikte.

‘De droom blijft ons roepen,’ zei ze.

‘Zijn jullie bereid om haar magische draad te volgen en in te schepen voor een nogal verre bestemming?’ vroeg Schelp

‘Ik ga graag mee,’ zei Tama.

‘Als ik toch eens kon vertellen hoezeer mij dat verheugt,’ riep Schelp opgewonden uit en nadat de twee zich in haar holte hadden genesteld, sloot zij zich.

Zo was het dat Schelp naar boven zoefde, door de hoge koepel van het Schelpenpaleis het regenbooglicht in. Ze vloog door het water, langs scholen Vissen en wegspringende Dolfijnen, door uiteenspattende golven, rakelings langs een zwerm Zeemeeuwen en doorkliefde toen de blauwe Hemel om daarna te verdwijnen in het oneindige firmament. Dat dijde zich uit en nog eens uit in een tocht die lang zou gaan duren.

De Sterrenwerelden openden zich en sloten zich, tijdslijnen die al lang hadden gewacht haakten aan, enkele dimensies maakten nieuwe mogelijkheden, maar sommige wilden niet van wijken weten.

Maar al die tijd sliepen de twee geliefden een droomloze slaap. Ze waren zich er niet bewust van langs hoeveel fonkelende sterrenpaden ze reisden, door welke dikke mist en donkere gaten. Dat atmosfeer na atmosfeer hen doorliet. Of dat de bliksemschichten soms fel tegen Schelp aan sloegen en haar vervaarlijk deden schommelen. Niets merkten ze van het bataljon van lichtschepen dat hen de doorgang wilde versperren of van het laserlicht dat hen net miste, omdat Schelp razendsnel berekende hoe zij dat kon ontwijken. Ze merkten zelfs niets van de meteorenregen die hen bekogelde en die Schelp niet meer kon omzeilen zodat een klein stukje meteoor haar nog net keihard raakte en een barst in haar huid veroorzaakte. Niets verstoorde de slaap van de twee onschuldige geliefden en toen Ahurewa en Tama eindelijk verkwikt ontwaakten, waren zij al op een verre Planeet geland.

‘We zijn er,’ zei Schelp en ze opende zich om hen eruit te laten.

In mijn blog kun je iets meer over de achtergrond van het verhaal lezen. https://www.ireneverdoorn.com/een-sprookje-dat-werkelijkheid-is/